Struweel en Ruigten

Dit is onderdeel van De biotopen op de Riethoek.

Een flink deel van de Riethoek bestaat uit struweel en ruigten. Bij struweel moet je denken aan struiken zoals braam en vlier, bij ruigten aan hoog opschietende kruiden zoals brandnetel, berenklauw, en fluitenkruid.

Het centrale deel van de Riethoek is dicht begroeid met struiken. Bepaalde delen zijn zelfs dusdanig dichtgegroeid dat ze niet meer toegankelijk zijn. Het gaat daarbij vooral om braamstruweel, bijvoorbeeld aan de westkant van het Stobbenpad en aan weerszijden van het Middelste pad voorbij het Puinpad.

Her en der staan wilde rozenstruiken, zoals bij de Lunchplek of aan de westgrens van de Woeste hoogte. Langs de noordoever van de Grote poel (waar ooit een griend met knotwilgen was) staat vooral vlier, kardinaalsmuts, lijsterbes en rode kornoelje. Datzelfde geldt voor de strook struikgewas tussen de Grote poel en de Woeste hoogte.

Struikgewas vormt een belangrijke biotoop voor kleine zoogdieren, vogels en insecten vanwege voedsel (vruchten, nectar, bladeren), nestgelegenheid en beschutting. Veel struiken hebben de neiging om te gaan woekeren en dienen daarom op bepaalde plekken kort te worden gehouden, vooral in het bereik van de paden.

Ruigten zijn gebieden waar de bodembedekking voor het grootste deel uit kruiden bestaat. Typische ruigtekruiden zijn brandnetel, zevenblad, berenklauw, kleefkruid en fluitenkruid. Maar er groeien ook bloemen zoals koekoeksbloem, boterbloem, pinksterbloem (waardplant voor het oranjetipje) en jakobskruiskruid (waardplant voor de St. Jacobsvlinder).

Op de Riethoek behoren ruigten tot de plekken met de meeste biodiversiteit. Als biotoop zijn ze vooral belangrijk voor insecten vanwege de vele verschillende bloemensoorten. Maar ook kleine zoogdieren (muizen, egels, konijnen) vinden in de ruigten voedsel en beschutting.

Gebieden waar struweel en ruigten voorkomen zijn de Jungle, het Berenklauwhoekje, de Fluitenkruidstrook, het zuidelijk deel van de Woeste hoogte, de omgeving van de Lunchplek, en Ton’s helling.

De Jungle

Het centrale deel van de Riethoek is dicht begroeid met braamstruweel. Bepaalde delen van de Woeste hoogte en van de Heuvel zijn daardoor zelfs niet meer toegankelijk. Tussen de bramen groeien verhoutende struiken als sleedoorn en kardinaalsmuts. Bessendragende struiken zoals sleedoorn, lijsterbes en Gelderse roos zijn een belangrijke voedselbron zijn voor doortrekkende vogels.

We beheren de Jungle niet actief, maar zorgen er voor dat de struiken en brandnetels de paden niet overwoekeren. Tijdens de jaarlijkse maaibeurt van de graslanden maaien we de randen van de Jungle langs de paden mee. Bessendragende struiken ontzien we.

Berenklauwhoekje

Op dit ruigtehoekje bij een van de ingangen van de Riethoek groeien voornamelijk kruiden zoals berenklauw, kleefkruid en brandnetel. Tevens is het één van de plekken op de Riethoek waar de reuzenberenklauw groeit. Dit hoekje kan gemakkelijk dichtgroeien en dat is ongewenst met het oog op de reuzenberenklauw. Daar staat tegenover dat de aanwezige planten en de geringe verstoring voor een grote rijkdom aan insecten zorgen.

We streven ernaar om dit hoekje een keer per jaar, laat in het seizoen, te maaien en het maaisel af te voeren. Waar nodig snoeien we opdringende struiken terug om zowel het hoekje zelf als het er langs gelegen Middelste pad open te houden. De reuzenberenklauw steken we uit vóórdat deze gaat bloeien.

Fluitenkruidstrook

In tegenstelling tot de Lage doorsteek en Tegenover de doelen die er vlak naast liggen is dit een echte ruigte, die in het voorjaar helemaal bedekt is met fluitenkruid en andere schermbloemigen. De Fluitenkruidstrook is na de Woeste Hoogte en het Berenklauwhoekje de plek op de Riethoek met de hoogste dichtheid aan schermbloemen. Helaas groeit er ook veel brandnetel, kleefkruid en akkerwinde.­­

We streven naar uitbreiding van het aantal soorten op deze ruigte. Verschraling van de bodem blijft daarom een doel zodat ook andere dan stikstofminnende soorten hier gaan groeien. Om de bodem zoveel mogelijk te verschralen maaien we minstens een keer per jaar en voeren het maaisel af. Valhout ruimen we af en het riet langs de oevers maaien we minstens een keer per jaar, maar niet in het broedseizoen.

Zuidelijke deel van de Woeste hoogte

Dit gebied langs de Rozenhaag wordt gedomineerd door groot hoefblad waarvan de bloemhoofden in het vroege voorjaar als eerste boven de grond verschijnen. In de zomer valt deze plant op door zijn enorme, op rabarber lijkende bladeren waartussen berenklauw groeit. Dit is een van de plekken waar af en toe exemplaren van de reuzenberenklauw opduiken.

Omdat de combinatie berenklauw en groot hoefblad gezichtsbepalend is op de Woeste Hoogte en omdat deze combinatie voor insecten en kleine zoogdieren belangrijk is, maaien we selectief. Het gras en de kruiden maaien we jaarlijks, maar de clusters berenklauw en groot hoefblad maaien we om het jaar. Het groot hoefblad langs de paden maaien we jaarlijks om de paden open te houden.

Rozen dringen we terug als deze te veel ruimte gaan innemen. Reuzenberenklauw steken we uit vóórdat deze gaat bloeien.

Er staan 3 volwassen eiken in de bosrand, waarvan één vlak langs het pad. Deze controleren we in het voorjaar op de aanwezigheid van eikenprocessierupsnesten.

De omgeving van de Lunchplek

De begroeiing hier bestaat voornamelijk uit brandnetels en braam plus wat grote wilgen en struiken, met aan de noordkant een lange, hoge takkenril. Er is geen bijzondere flora, wel zijn er veel zangvogels.

Het streven is deze plek open te houden voor recreatie. We maaien minstens een keer per jaar en bij voorkeur twee keer per jaar. Het maaisel voeren we af, hoewel het niet zal lukken om de bodem te verschralen gezien de aantallen honden die hier worden uitgelaten. Paden houden we open, we verwijderen valhout als het de doorgang belemmert. Overhangende takken verwijderen we voor meer zonlicht en zwerfafval (met name rond de lunchplek) ruimen we op.

Ton’s helling

Dit is de helling van de Vallei naar het centrum van de Riethoek, tussen Puinpad en Hoge doorsteek.  Dit gebiedje is een tijd lang door een vrijwilliger van de Ruige Hof ingezaaid en beheerd. Er staan nu dan ook meerjarige soorten die elders ontbreken: boerenwormkruid, koninginnekruid, nagelkruid en wilgenroosje. Ook staat er veel berenklauw dat de neiging heeft zich uit te breiden ten koste van de voornoemde soorten. De helling wordt begrensd door een bramenwal die regelmatig moet worden gerooid om te voorkomen dat-ie de hele helling overwoekert. Aan het einde van de helling staat een jonge eik.

We streven naar behoud en uitbreiding van de ingezaaide meerjarige planten. Bramen en berenklauw dringen we terug. We maaien daarom niet machinaal, omdat hierbij veel van de ingezaaide planten verloren gaan. Wèl steken we bramen en berenklauw met de spade uit of rooien ze met de hand. De jonge eik controleren we in het voorjaar op aanwezigheid van eikenprocessierupsnesten.