Kleine beestjes

In de natuur komen heel veel kleine beestjes voor. Je vindt ze in de grond, onder bladeren, op planten en bomen en in de lucht. Voorbeelden van kleine beestjes zijn regenwormen, duizendpoten, insecten, pissebedden, spinnen en slakken.

Pissebedden

Kleine beestjes zijn heel belangrijk. Ze zijn voedsel voor allerlei grotere dieren. Koolmezen eten bijvoorbeeld rupsen en allerlei insecten. Planten en bomen hebben insecten nodig voor de bestuiving.
Bodemdiertjes zijn de opruimers van de natuur. Ze eten de resten van dode planten en dieren op. Wat dan nog overblijft, wordt door schimmels en bacteriën afgebroken tot voedingsstoffen voor planten.
Regenwormen zorgen er bovendien voor dat er lucht in de bodem komt en mengen de aarde. Zo zorgen ze voor een gezonde bodem waarop planten en bomen kunnen groeien.

Regenworm (foto: Saxifraga – Ab H. Baas)

Klimaatverandering
Door klimaatverandering verschijnen er nieuwe soorten in Nederland en andere soorten verdwijnen. Een nieuwe soort is bijvoorbeeld de vuurwants.
Verder zie je in het voorjaar sommige insecten eerder dan vroeger. Dat komt omdat bloemen eerder bloeien en bomen eerder uitlopen.

Leuke weetjes

  • Door klimaatverandering zijn er tegenwoordig minder zwarte tweestippelige lieveheersbeestjes dan zo’n veertig jaar geleden. Deze soort komt in twee kleuren voor: rood met zwarte stippen en zwart met rode stippen. Zwart houdt warmte beter vast dan rood. Zwarte lieveheersbeestjes zijn in koele gebieden dan ook actiever dan rode. Omdat het warmer wordt, maakt het niet zo veel meer uit of je zwart of rood bent.
  • Weet je dat er in een gemiddeld Nederlands huis wel 2000 insecten leven?
Tweestippelig lieveheersbeestje (foto: Saxifraga – Ab H. Baas)

Opdracht 

Til voorzichtig een stuk hout of boomschors op. Kijk eens wat eronder zit. Tel eens hoeveel je er ziet.

Til een ander stuk hout op: wat en hoeveel zie je hier?

Is er verschil? Hoe zou dat komen? 

Wil je weten hoe ze heten? Kijk dan eens hier.

Ben je klaar? Leg het hout voorzichtig terug, dus niet gooien. Zo verstoor je de bodemdiertjes het minst.